Voorbeelden van het gebruik van Onderwijzer in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Dat is Armel, een katholieke onderwijzer.
Tot ziens, meneer de onderwijzer.
Echt? Deze hier… is hij een bankier, een onderwijzer of een tuinman?
Heren, ik ben een onderwijzer uit New York.
Zijn vader was onderwijzer en later directeur van een stedelijke school.
Hij was onderwijzer en fotograaf.
Mark is onderwijzer en beloofde jullie te helpen.
Wil je onderwijzer worden?
Sylvia Vrethammars vader Harald was onderwijzer.
Zijn vader was daar onderwijzer.
Vallets ouders waren beiden onderwijzer.
Beroepshalve was hij onderwijzer.
Van Kemenade was aanvankelijk onderwijzer.
Studeren kon niet en hij werd onderwijzer.
Hij was beroepshalve onderwijzer.
Ik ben onderwijzer.
U bent onderwijzer.
Hij was onderwijzer.
U bent dus onderwijzer.
Waarom ben je onderwijzer?