Voorbeelden van het gebruik van Poen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Als ik m'n poen heb.
We sturen Anton met de poen heen.
Ja, we hebben poen.
Als ze haar neukwaar toch laat vereeuwigen, dan voor poen.
Niemand komt aan mijn poen.
Ik heb geen poen.
Ik heb genoeg poen.
Heb je de poen?
Ook vanwege de poen.
Waar is mijn poen.
Ik wil m'n poen terug.
Toon me poen.
Jij hebt je poen.
We hebben nu tenminste wat poen.
Ik heb geen poen.
En met zoveel poen.
Hij heeft onze poen.
Erger nog, al m'n poen is weg.
Geef me die poen.
Ja… Geef me al je poen.