Voorbeelden van het gebruik van Schorsen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Waarom zou Thom je schorsen voor iets wat ik gedaan heb?
Als je het me vertelt, laat ik je niet schorsen.
U wilde Seth niet schorsen, hè?
Ik ga u schorsen.
Je gaat mijn dochter niet schorsen.
Ze gingen hem toch schorsen.
Dank u. Ik moet hem wel twee weken schorsen.
Je moet Malaya niet schorsen.
Ik moet je schorsen.
Nog twee keer, en ik kan ze schorsen.
De gemeente geeft aan me te kunnen schorsen dit keer.
We schorsen je.
Laat ze me maar schorsen.
Ik moet je schorsen.
Charlie.- Ik moet je schorsen.
Als we samenspannen, kunnen ze ons niet allemaal schorsen.
Mrs Horowitz wilde je schorsen.
Maar ze gaan je schorsen.
Breng me naar Mr Rydell of ik laat je schorsen.
Je moet haar schorsen.