Voorbeelden van het gebruik van Ze bellen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Nu gaat ze bellen.
Ze bellen de politie niet.
Ze bellen na elke wedstrijd.
Moet ik ze bellen?
Je kan ze bellen.
Ze bellen Miep en Jan,
Ze bellen echt.
Wat?- Ik zal ze bellen.
Laten we ze bellen.
Ze bellen ons zodra.
Ze bellen hem nooit als hij geen uitzending heeft.
Ik wil hier zijn als ze bellen.
Ze bellen.
Ze bellen over een uur terug.
Je mag ze bellen.
Wat kunnen mijn vrienden zien wanneer ik ze bellen?
Ze bellen zo.
Je moet ze bellen.
Ik moet ze bellen.
Ze bellen expres rond etenstijd.