Voorbeelden van het gebruik van Zeuren in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ze moet dus ook niet zeuren als we het verkopen. Zij maakte zich uit de voeten.
Ik wil niet zeuren, maar we zijn net weer langs een RB gekomen.
Ik wil niet zeuren, maar er bestaat nog zoiets als eten.
Als ik ze naar Braila laat gaan, stoppen ze dan met plannen en zeuren?
Dus stop met zeuren.
We moeten ophouden met zeuren en met elkaar de schuld geven.
Ik wil niet zeuren, maar.
Zeuren, zeuren.
Ze komen meestal samen, drinken… en zeuren over alles.
Omdat we wisten dat je daarover zou gaan zeuren.
Ik wil niet zeuren.
Niet meer zeuren.
Zeuren doffe pijn in de onderbuik;
Ik wil niet zeuren.
Ik wil helemaal niet zeuren.
Zit stil.- Niet zeuren.
Altijd weer klagen en zeuren.
Hij volgt instructies op zonder veel zeuren.
Je mag straks zeuren.
Ik wil niet zeuren. Bedankt.