Voorbeelden van het gebruik van Brand in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Brand, politie, superhelden.
Rechts. Brand in de hel, Andrei!
Brand, Doyle, terug naar de Ranger nu!
In dit gebouw? Ja, een brand.
Ik ben bang dat de oven in brand zal schieten.
In brand steken en met de grond gelijk maken.
Normaal gesproken brand het heel makkelijk.
Zo'n grote brand kan niet door één persoon gesticht zijn.
James? Brand in de hel!
Geen brand hier.
Olof Palme, Willy Brand, zelfs de paus.
Man en vrouw sterven in brand in huis.
In een ommezien stond het landhuis in brand.
Wat als ik mijn vinger brand in de handschoen rond het vuur?
Het brand overal. Branden.
Zijn hoofd staat in brand toen hij opgewonden raakt.
Hennep kleding brand als papier!
De brand zal natuurlijk verhullen dat het een lijk was.
Brand zijn favoriete paleis af.
Kun jij brand stichten met je geest?