Voorbeelden van het gebruik van Gever in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
De gever neemt er twee.- Eén.
U bent 'n gever.
God zegent de gever.
De gever heeft ook vier. Jammer.
Ja. Ik ben de gever van de dood.
De gever heeft ook vier. Jammer.
Ja. Ik ben de gever van de dood.
De gever heeft ook vier. Jammer.
Ik ben geen kind meer.- Gever.
Speler en gever ontvangen ieder twee kaarten.
Ik ben geen kind meer.- Gever.
Ben je krankzinnig? Houd de gever in de gaten.
O, leven. Gever van goede dingen.
Hij bluft. De gever neemt er drie.
O, leven. Gever van goede dingen.
Behalve de gever.
Jay was een gever.
Drie. En één voor de gever.
Je kent me, ik ben een gever.
Shaw?- Drie. En de gever neemt er een.