Voorbeelden van het gebruik van Moet werken in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Maar ik moet werken morgenavond.
Dat moet werken.
Nee, Providence moet werken, toch?
Ik moet werken en jullie leiden me af.
En ik moet werken, oké?
Kan niet, ik moet werken.
Hij moet werken op Kerstmis.
Ik moet werken, weet je.
Je moet werken met iemand met vermogen.
Maar je moet werken voor zijn zegeningen.
Ik moet werken na schooltijd.
Ik moet werken, Thatch.
Je moet werken voor je dromen. Niet oké.
Elk onderdeel moet werken zoals het is bedoeld.
Het is middag. Ik moet werken.
Ik moet werken met wat ik heb.
Ik moet werken.
Iedereen moet werken aan de naam Kyle Singer.
Het moet werken.
Maar je moet werken aan je timing.