Voorbeelden van het gebruik van Moet werken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik moet werken! De baas?
Dit moet werken. Nee.
Hij moet werken, Anna.
Knul, ik moet werken.
ik met publiek praat en hoe ik moet werken.
Schaakmat. Vertel me nog eens hoe dit plan moet werken.
Dit moet werken. TOEGANG VERKREGEN.
Dat moet werken.
Albert moet werken.
Ik moet werken.
Ik bedoel, dit ding moet werken, voor alle het goede wat hier allemaal uit komt.
Het moet werken, dokter.
Je moet naar school en je vader moet werken.
Zeg me niet hoe ik moet werken.
Vertel me nog eens hoe dit plan moet werken.
Dit moet werken.
Dat moet werken.
Nee, ze moet werken.
Snel dan, ik moet werken.
Het moet werken.