Voorbeelden van het gebruik van Nooit getrouwd in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Je bent nooit getrouwd geweest?
Nooit getrouwd. Geen kinderen.
Een eenling, nooit getrouwd en zo?
Nooit getrouwd. Ouders overleden.
Nooit getrouwd, een dokter.
Nooit getrouwd.
U bent nooit getrouwd geweest en hebt geen langdurige relaties gehad.
Nooit getrouwd.
Nooit getrouwd, een partner gehad of kinderen.
Ben je daarom nooit getrouwd… Nou, natuurlijk.
Nooit getrouwd. Hij zei dat ik de ware was.
Nooit getrouwd, haat asperge.
Ben je daarom nooit getrouwd… Nou, natuurlijk.
Nooit getrouwd… geen kinderen.
De hertog is nooit getrouwd. Maar natuurlijk.
Nooit getrouwd?
Je bent nooit getrouwd. Dat is lekker.
Nooit getrouwd. Hij stond op het punt.
Jij raakt nooit getrouwd, B.
Ben jij nooit getrouwd?- Zonde,?