Voorbeelden van het gebruik van De bus in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
De bus naar Stifler komt zo.
Lk haal de bus.
Kinderen, jullie hebben nog 20 minuten, dan gaan jullie terug naar de bus.
Focus op de bus.
We moeten terug naar de bus.
Ik zei toch dat we de bus moesten nemen.
Ze liggen al in de bus.
Zoals was vermeld, was de bus van Channel 9 gestolen.
Maar je verlaat de bus onder geen enkele voorwaarde.
We hadden in de bus kunnen stappen en kunnen wegrijden.
De bus in.
Ik kan de bus terugbrengen als ik je heb afgezet.
Ze klom zo in de bus, en trok je shirt aan.
De bus rijdt over vier rijstroken,
Maar de bus herinnert u zich nog?
Heb je de bus?
Waar is de bus?
In de bus dacht ik aan m'n reis van de afgelopen drie weken.
Stop ze in de bus, en haal ze hier weg.