Voorbeelden van het gebruik van Debiel in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Dit is debiel.
Wat doe jij, debiel?
Ik ben niet debiel.
Wel als je het in een raket stopt, debiel.
Wat een debiel.
Ik hou zoveel van je, het is debiel.
We proberen een deal met je te maken, debiel.
Ivan, hij is debiel.
Ben je debiel?
Want wat je zei was ongelooflijk debiel.
Dat is de naam van haar oma, debiel.
Je hebt onze missie gestolen. En onze debiel.
Het enigste wat we wilden was een paar vragen stellen, debiel.
Het was een debiel.
Dr. Sebastian Charles is een debiel.
Je zoon is debiel.
Nee, jij bent debiel.
de meesten van jullie zeggen:" Dat kan elke debiel.
Vervloekt, agent Debiel, u bent te slim voor ons, slechte mensen.
Spreek je Engels, debiel?