Voorbeelden van het gebruik van Een zuster in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Heb nooit een zuster gehad.
Ze was een zuster van de heilige Benedictus van Nursia.
Zij is een zuster van koning Karel XVI Gustaaf van Zweden.
Zijn moeder was een zuster van Jacques Nicquet.
Zij was een zuster van Boudewijn III van Vlaanderen.
Ik kon een zuster worden, maar nooit een dokter.
Zij komt dus als een zuster of een dochter.
Elke dag geeft een zuster of een broeder een bijbelinleiding.
Een zuster die onze bus begeleidde, heeft me ontzettend geholpen.
Een zuster zei er iets van
Ik heb een zuster nodig hier.
Een zuster uit de kelder?
Dee, kun je een zuster roepen?- Ja?
Als je een zuster wilt, neem die dan aan.
Niet nodig, maar een zuster zou fijn zijn.
Niemand kan een zuster de blues geven zoals haar man dat kan.
Ik heb een zuster nodig hier.
Eens een zuster, altijd een zuster.
Dr. Ken heeft al een zuster.
Ik zag een schaduw bewegen, een zuster denk ik.