Voorbeelden van het gebruik van Rukker in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Breng mijn vliegtuig terug, rukker!
Behalve jij, in je bed, rukker.
Hij leek me een rukker.
Aaron Ramsey is een rukker.
Die kleine rukker zou ons allen kunnen verraden.
Ze is in Texas opgegroeid, rukker.
Het is geen keuzemenu, rukker.
Wat een rukker.
Bedankt, rukker.
Oké, goed, wat een rukker.
Sam, jij ouwe rukker.
Die vent is een rukker.
Weet je, Freddy…- Rukker.
Mijn vader was een rukker.
Zat jij hier al toen die rukker Lennon mij oppakte.
En hij was een rukker.
Hij noemde je een rukker.
Ik ben gek op de rukker.
Waar kijk je naar, rukker?
Hans Christian Andersen was een rukker.