Voorbeelden van het gebruik van Rukker in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Rukker, daar is je telefoon.
Sorry. Rukker. Mijn held!
De rukker die ze zoeken, hebben wij al gepakt.
Kijk 's kleine rukker, ik wil met jou niet dansen.
En dat is de rukker waar we een probleem mee hebben.
Deze arrogante rukker probeert onze dode vriend lastig te vallen.- Ja, prima.
Nou Braithwaite, ouwe rukker, het is tijd om afscheid te nemen.
Ik heb je hulp nodig deze morgen, Ouwe rukker.
Hans Christian Andersen was een rukker.
Die vent is een rukker.
Wat een rukker.
Dat is geen leeslamp, rukker.
Stomme rukker.
Ian, ouwe rukker.
Geef het op, rukker.
Waarom ben je zo'n rukker?
Je kunt leren van een meester… rukker.
Michelle, toe. Hé rukker!
Domme moederloze rukker.
Met de nadruk op rukker.