Voorbeelden van het gebruik van Rukker in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Je kan je pistool opbergen, rukker.
ouwe rukker.
Wat doe je met deze rukker?
Voor 'n tijdje, rukker.
Pfundl, ouwe rukker.
Ik ben gek op de rukker.
Gavin, ouwe rukker.
Ziet er goed uit, ouwe rukker!
Ik praat met een vrouw nu, rukker.
Het is zijn vrouw, rukker.
Ik heb je hulp nodig deze morgen, Ouwe rukker.
Kom hierheen, rukker!
Wat is die rukker aan het doen?
Dat is die rukker.
Een rukker, die zijn vlees opjaagt en wordt gepakt in zijn kont… door je celgenoten en zo.
Ik wandelde naar de winkel en opeens steekt die rukker zijn hoofd uit de autoruit en zegt" Hey,
Hans Christian Andersen was een rukker. Hij was een talent.
Reetkever, naaldpik, luldebehanger, rukker, trekpaard, bananenbek,
de baas is een rukker.
Hoe komt mijn moeder van getrouwd zijn met zo'n man bij een rukker als mijn stiefvader?