Voorbeelden van het gebruik van Teamleider in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Teamleider Rood, klaar voor de aanval.
Sigma 3 aan teamleider, ik heb het doelwit in zicht.
Ik ben teamleider, Greg.
Je teamleider vertrouwt me.
Bravo teamleider, meld je.
Ik ben teamleider en werk aan de uiteindelijk afgifte van de FH-trucks.
De teamleider wil weten naar welk hospitaal je hen brengt om de getuigen te kunnen ondervragen.
Ik ben morgen teamleider tijdens de nationale debatten.
De gezinnen van de teamleider en zijn adjunct.
Je nieuwe teamleider.
Ik wil dat hij, Jenson, zijn plaats inneemt als teamleider.
De families van de meisjes willen de teamleider spreken.
Ik ben de teamleider.
Je bent nu teamleider.
Ik sprak net de teamleider.
Dat maakt jou de teamleider.
Die is geen teamleider.
Ik heb veel ervaring als teamleider.
Perkins, hij was teamleider.
Misschien kan ik de volgende keer wel teamleider zijn!