Examples of using Kind in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Of een kind zo slap als een vaatdoek.
M'n vrouw en kind.
Een zilveren vierdeurs, met een vrouw en kind.
Grimes hebben een kind.
Wiens kind is dit?
Jij bent geen kind van andere ouders.
Jij en je kind zal het aan niets ontbreken.
Kan een kind geen monster zijn?
Sir. Voor het kind, Sir.
Hij is ook de vader van Lucy's kind.
Ik vermoordde 'n vrouw en 'n kind.
Mijn dochter. Mijn kind is dood!
Een kind zoeken midden in de nacht?
Ouders doen alles voor hun kind.
En een kind kan geen monster zijn?
De vader van mijn kind was een vluchteling van Deressa.
Hij is de vader van m'n kind.
Maar Samuel is een kind.
Hij heeft de mentale leeftijd van een kind.
Ja, ik wil dit kind samen houden.