SPRITZE GEBEN - vertaling in Nederlands

injectie geven
spritze geben
injektion geben
injektion machen
spuit geven
spritze geben
prik geven
spritze geben
spuitje geven
spritze geben
naald geven

Voorbeelden van het gebruik van Spritze geben in het Duits en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Ecclesiastic category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Computer category close
  • Official/political category close
  • Programming category close
Wir dir eine Spritze geben.
Ik moet je een injectie geven.
Ich muss ihr eine Spritze geben.
Ik moet haar een injectie geven.
Ich werde Ihnen eine Spritze geben.
Ik kan u een injectie geven.
Lch muss ihr eine Spritze geben.
Ik moet haar een injectie geven.
Ich muss dir leider eine Spritze geben.
Ik moet je een injectie geven.
Gut. Ich werd euch eine Spritze geben.
Goed, ik ga jullie een injectie geven.
Kannst du ihm keine Spritze geben?
Kunt u hem geen injectie geven?
Ich will nicht, dass Sie ihm die Spritze geben!
Ik wil niet dat u hem die spuit geeft!
Benjamin! Soll ICH dir heute Abend die Spritze geben?
Benjamin… Wil je, dat ik jou vanavond de spuit geef?
Soll ich dir die Spritze geben?
Wil je, dat ik jou vanavond de spuit geef?
Ich muss ihm eine Spritze geben, sonst bleibt er auf der Strecke.
Hij moet een injectie krijgen anders houdt het op.
Es muss eine Spritze geben.- Los.
Er moet een spuit zijn. Kom mee.
Im Gegenzug lässt du diese männliche Schwester… mir eine Spritze geben, damit wir das alles hinter uns bringen können.
En jij laat die man die injectie geven zodat 't een beetje opschiet.
Er will dir eine Spritze geben, um dir zu helfen, aus diesem ganzen verrückten Scheiß selbst schlau zu werden.
Zodat u zelf een beslissing kunt nemen over al die gestoorde dingen. Hij wil u een injectie geven.
Ich soll Ihnen die Spritze geben. Aber ich kann Ihnen nicht helfen, wenn ich tot bin.
Maar ik kan je niet helpen als ik dood ben en hij wil dat ik je dat spuitje geef.
Ich werde Ihnen eine Spritze geben.
Ik geef je 'n injectie.
Sie müssen sich eine Spritze geben.
Je moet jezelf een injectie geven.
Ich soll ihm eine Spritze geben?
Wil je dat ik hem injecteer?
Sie müssen sich diese Spritze geben.
Je moet deze injectie nemen.
Ich sagte:"Spritze geben und rauskommen.
Geef hem dat spuitje en wegwezen.
Uitslagen: 234, Tijd: 0.0476

Woord voor woord vertaling

Top woordenboek queries

Duits - Nederlands