Voorbeelden van het gebruik van Geld geven in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
We moeten haar niet meer geld geven.
Hij moet je maar een huis en kleren en geld geven.
ik wou z'n gezin geld geven.
Ga je hem geld geven?
Waarom… waarom moet ik je alijd weer geld geven?
Ik moest het geld geven.
Maar hoe op aarde kunnen we ze waar voor hun geld geven?
Waarom zou ik je geld geven?
We kunnen hem geen geld geven.
Cut. Schat, niemand wil geld geven als het negatief overkomt.
We kunnen je geld geven.
Ga je hem gewoon geld geven?
Je moet het geld geven.
Dan zal ik je geld geven, dan kun je nieuwe sokken kopen.
Ik kan je wat geld geven.
Ik wou hem geld geven.
Meer geld geven.
Wil je me geld geven?
Nou ik zal je opnieuw geld geven koop een paar nieuwe.
Nic, ik kan je geen geld geven.
