Voorbeelden van het gebruik van Het speelgoed in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ogen van het speelgoed, David.
We zijn het speelgoed van Andy.
Dan koop ik… Al het speelgoed dat jullie maar willen.
Kunnen jullie niet even met het speelgoed spelen in plaats van met mij?
Al het speelgoed is jaloers op je.
Ik zeg niet dat het speelgoed is.
Ik pak het speelgoed.
Van de noordpool, waar de elfen het speelgoed maken, is deze kerstboom.
Is het goed speelgoed of iets wetenschappelijks?
Als je kinderspeelgoed opruimt… haal je eerst al het speelgoed tevoorschijn. SPEELGOED. .
Het speelgoed is weg!
Daarom ben je bij het speelgoed magazijn gaan werken?
Ik dacht dat het speelgoed was, dus liet ik het liggen.
We komen het speelgoed halen.
Het speelgoed en de foto's, alles was weg.
Zo bracht hij het speelgoed terug en het voedsel voor het feestmaal.
Hij redt het speelgoed uit de brand.
Het speelgoed is bedoeld voor kinderen vanaf 6 jaar.
Genoeg met het speelgoed, Master Guns,
Het speelgoed is prima,