Voorbeelden van het gebruik van Janken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
In mijn firma denken ze dat je gaat janken over een zaak.
Ik voel me zo schuldig dat ik kan janken.
Kijk hem janken als een baby.
Mietje. Niet janken.
Iedereen hier gaat janken.
Niet janken.
Ga nou niet janken, nerds.
Niet janken.
Dat wordt janken.
Ik kan wel janken.
Dus nu niet janken, Bernard.
Dat wordt janken.
Niet meteen janken.
Tugg Speedman kan niet janken.
Nicky zal wel een weekje janken.
Hij gaat janken.
Ze zijn het gewend me te zien janken.
Je zult zonder mij moeten janken.
Hun moeders gaan janken.
Je zuIt zonder mij moeten janken.