Voorbeelden van het gebruik van Martelen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Jullie martelen mij, ik zeg niks, en iemand raakt z'n hart kwijt.
We gaan ze niet martelen.
Maar ik wil je toch martelen.
Je moet jezelf niet zo martelen.
Ze slaan en martelen hem!
Jullie treiteren, martelen en vervolgen degene die jullie beschermt!
Als je iemand gaat martelen, vertellen ze alles wat je wilt zodat je stopt.
Hij was hem aan het martelen.
Ik wil haar best martelen voor het team.
Mij niet meer martelen als dat.
Waarschijnlijk wil hij hem martelen.
Ik zei dat ik hem niet zou martelen.
Waarom martelen jullie me zo?
Ze zouden hem martelen.
Zelfs al zouden ze me martelen.
Ik wil geen mensen martelen.
Misschien wil ik geen kinderen martelen.
Ik wil je niet martelen.
Je kunt ze me niet laten martelen.
Nee… Jullie niet martelen.