Voorbeelden van het gebruik van Opbouwen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik wil het leven opbouwen dat ik verdien.
Trend 3: blockchain, oftewel vertrouwen opbouwen in het digitale tijdperk.
Alles wat we aan het opbouwen waren!
Een normaal leven opbouwen.
En vertrouwen moet je opbouwen.
Ze wilden dit nieuwe Europa opbouwen door solidariteit.
een goed leven opbouwen.
Ik moest een nieuw leven opbouwen buiten Jemen.
Hij wilde een imperium opbouwen.
Ze zouden alles moeten afbreken en opnieuw opbouwen.
Je weet duidelijk hoe je een argument moet opbouwen.
Bij kortlopende contracten wilt u snel tijdelijke distributiecentra kunnen opbouwen, op locatie.
Een Europees netwerk opbouwen.
hij de groep weer wil opbouwen.
Ik heb dit helpen opbouwen.
Miller zal zichzelf weer opbouwen.
Dit rijk dat jullie opbouwen…… zal instorten.
Scot gTLD toch een symbolische onafhankelijkheid opbouwen.
Iets mooi opbouwen.
En ik wil iets opbouwen.