Voorbeelden van het gebruik van Opendoen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Nu moet je de deur opendoen.
wilt u dan opendoen.
Ryan, opendoen.
Kun je nu de deur opendoen?
Niet opendoen, Gabi!
Niemand gaat opendoen.
Nee, niet opendoen, moeder.
Kunt u opendoen?
Je moet een deur opendoen om iets binnen te laten.
Niet opendoen als er gebeld wordt.
Open. Ze moet haar mond opendoen.
Ze wilde die deur weer opendoen.
Opendoen en op de schouw zetten.
Opendoen… deze deur?
Wil je alsjeblieft die deur opendoen?
U moet de deur opendoen.
Ik moet 'm zelf opendoen.
Kun je het raam niet opendoen?
Jullie zijn in grote problemen als jullie niet opendoen.
Hey, Gomer, kan je dat luik opendoen?