Voorbeelden van het gebruik van Opendoen in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Kunt u het raampje opendoen?
Blijf hier, ik zal opendoen.
Niemand gaat opendoen.
Ross? Alsjeblieft! Misschien moeten we een raam opendoen.
De deur opendoen is zijn baan, mam.
Wilde je dat opendoen?
Homer, wil je even opendoen?
Adam, wil je even opendoen?
Zal ik opendoen?
Er zal niemand opendoen.
Kun je de deur opendoen voor mij?
Pandora krijgt een doos van God en mag hem niet opendoen.
Wil je de deur opendoen en het dan boos achter mij dichtslaan?
Had je de deur maar moeten opendoen.
Ik moet even opendoen.
Ik zal opendoen.
Wilt u het raam opendoen?
het busje staan er nog.- Hij komt niet opendoen.
Of we kunnen de kist opendoen.
De lades opendoen is fijn.