Voorbeelden van het gebruik van Rabbi in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Lk ben de rabbi.
Dat is mijn vader, rabbi Shulem Shtisel.
We hebben maar één rabbi, en hij heeft maar één zoon.
Ja. De rabbi. Dat het een mooie dienst was.
Het is Rabbi Jacob in die taxi!
Als de muis niet naar de rabbi komt, komt de berg wel naar Mohammed.
Mijn grootvader de rabbi had wel de oplossing gehad.
Rabbi Raquel, dit is Josh,
Of Rabbi Mankiewicz doet het.
De wijze, oude rabbi zegt: Ik weet wat je moet doen.
De rabbi zegt: Ja, 100 procent zeker.
Hier bij het graf van rabbi Löw wens ik jullie veel geluk… en mezelf kleinkinderen.
Het is Rabbi Jakob in de taxi!
Ik heb een vragenlijst voor de rabbi, oké?- Echt?
Rabbi, weet u het al?
Rabbi Jacob komt er aan in die taxi!
Jij hebt m'n rabbi opgebeld over mijn bar mitswa!
Ik wil met Rabbi praten. Wacht.
God heeft een rabbi van me gemaakt.
Rabbi zonder mes, je bent een dapper mens.