Voorbeelden van het gebruik van Rabbi in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Waarom was Hij anders dan de rabbi?
Morgen test de rabbi me.
Zo heb ik m'n rabbi graag.
God geeft toe dat de rabbi het debat won.
toen hij de plaatselijke rabbi zag wandelen.
we moeten de rabbi spreken.
God geeft toe dat de rabbi het debat won.
De leraar van Baal HaSulam was rabbi Jehoshua van Porsov.
Ik heb een boodschap voor je van Helga Albrecht en Rabbi Nachman.
Dus u leidt de dienst, rabbi?
Ik wil Ari… de rabbi die Jeffrey Shapiro deed.
Brenda en ik hebben een afspraak met Rabbi Ari.
M'n vader was rabbi.
M'n vader had het nooit ontdekt zonder die ballorige rabbi.
Ik ken al een rabbi.
Ik weet het niet, vraag het de rabbi.
Of naar een rabbi.
De kapitein ziet eruit als 'n rabbi.
Gescoord door Rabbi Levine.
Op een dag was hij op reis, toen hij de plaatselijke rabbi zag wandelen.