Voorbeelden van het gebruik van Vuurpijl in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Post zes schiet om de tien minuten 'n vuurpijl af.
Komaan. Gebruik de vuurpijl, Kate.
Als de vuurpijl uit is, komen ze terug.
Met een vuurpijl kun je om hulp seinen.
Mijn God. Hun vuurpijl was twee kilometer naar het noorden.
Lanceren als je de vuurpijl ziet.
Wat een vuurpijl.
Lanceren als je de vuurpijl ziet.
Wat zeg je, vuurpijl?
En weet je wat voor mij de klap op de vuurpijl was?
Anders schieten we weer een vuurpijl het veld op.
Km ten westen van jullie vuurpijl.
Namen: 1. Vuurpijl, 2.
Waarom de vuurpijl?
Heb je iets beters dan een vuurpijl?
Kon ik maar bereiken… Mijn vuurpijl! Stokken en stenen kunnen je botten breken,
Kon ik maar bereiken… Mijn vuurpijl! Stokken
Toen Flippa de zeilen in brand stak met een vuurpijl, zaten we stuurloos op zee.
schiet deze vuurpijl af, dan weten we wat er mis is.
Plotseling steekt hij een vuurpijl af en zwemt rond?