Voorbeelden van het gebruik van Vuurtje in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Hoi, wil je een vuurtje?
Het verspreidde zich als een vuurtje.
Ik heb een vuurtje nodig.
Geef me ook 's een vuurtje.
Lk ga een vuurtje halen.
Jij, geef me een vuurtje.
Geef me eens een vuurtje.
Heeft u een vuurtje?
Juffrouw? Ja, heb je een vuurtje?
Ik ga een vuurtje halen.
Janice gaf me een vuurtje.
Bedankt voor het vuurtje, old-timer.
Heb jij een vuurtje?
Gaat u de president geen vuurtje geven?
Dat maakt niet uit. Wie ben jij en heb je een vuurtje?
Ik heb een vuurtje nodig.
Wie heeft er een vuurtje?
Geen vuurtje.
Wie heeft een vuurtje?
Heb je een vuurtje?