Voorbeelden van het gebruik van We wonen samen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Echt geweldig, we wonen samen.
Mijn zus. We wonen samen.
Ja.- En we wonen samen.
O mijn God, we wonen samen.
En we wonen samen.
Dus we wonen samen.
Maar we wonen samen en ik zal voor haar zorgen.
Maar we wonen samen.
We wonen samen, we gaan kinderen maken.
We wonen samen en zijn verloofd.
We wonen samen.
We wonen samen en ik heb haar pas ontmoet.
We wonen samen, we carpoolen naar school.
En jullie kennen elkaar al heel lang. Maar we wonen samen, Iris.
We wonen samen, het zijn niet meer'mijn spullen' en'jouw spullen',
We wonen samen… slapen naast elkaar… neuken af
We wonen samen en ik ken haar net, dus ze kan niet je beste vriendin zijn?