Voorbeelden van het gebruik van Werkeloos in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Dat wij werkeloos zijn.
KEVA ROSENBERG Werkeloos.
Ik ben werkeloos.
Je bent werkeloos.
Is hij binnenkort werkeloos.
Je moeder was huisvrouw. Je vader was werkeloos.
Hij is werkeloos.
ze is ook… werkeloos?
Wij mogen niet werkeloos toezien terwijl dit gebeurt.
Werkeloos… mijn schuld.
Ik moet toegeven werkeloos zijn is niet zo slecht.
Veel mensen raakten werkeloos, ik ook.
Is hij blut en werkeloos. Als we klaar zijn met hem.
Iedereen is werkeloos, er is genoeg criminaliteit.
Ik kon niet werkeloos toezien hoe mijn zusters werden vermoord.
Haar vader was een kok die vaak werkeloos was.
Vrijgezel. Sinds vorig jaar werkeloos.
Ik ben nog werkeloos.
Dank je. Weet je, ik moet toegeven dat werkeloos zijn niet alleen maar slecht is.
En wij moeten werkeloos toekijken.