Voorbeelden van het gebruik van Deal in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Pam en ik hadden een deal.
Deal je drugs, stelen?
Er zij nog meer deal te maken.
En jij en ik hebben een deal.
Deal je drugs vanuit deze opvang? Drugs?
Die smijten altijd honden bij de deal.
Maar ik dacht dat jij en Astra een deal hadden.
Drugs? Deal je drugs vanuit deze opvang?
Je sluit toch wel vaker een deal voor je cliënten?
Ik heb een deal met Miguel.
Drugs? Deal je drugs vanuit deze opvang?
Nee, ik heb geen toestemming gegeven voor een deal.
In het begin had ik een deal met Silas.
Deal je drugs vanuit deze opvang? Drugs?
Ik ga geen deal maken.
Ik maakte een deal met Union.
Een dubbele deal.
Een plea is een deal.
En we maken een deal met union Oil.
Dat is erg menselijk. Een dubbele deal.