Voorbeelden van het gebruik van Fatsoenlijk in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ik weet niet hoe fatsoenlijk ik me voel.
Luister, mijn vrouw wil een fatsoenlijk en beleefd iemand.
Zodat ze hem fatsoenlijk kunnen begraven.
Ja. Ja, voor ik fatsoenlijk werd.
Hij is eerlijk, fatsoenlijk en loyaal.
Je kunt hier niet eens fatsoenlijk slapen.
Je moet fatsoenlijk spreken.
Heel fatsoenlijk.
Hij is goed, fatsoenlijk en aardig.
Begraaf 'm fatsoenlijk.
Zorg dat ze er fatsoenlijk uitziet.
Wacht, wacht! Kus me eerst fatsoenlijk.
Ik dacht dat hij fatsoenlijk was.
Begraaf 'm fatsoenlijk.
Ja, voor ik fatsoenlijk werd. Ja.
Wacht, wacht! Kus me eerst fatsoenlijk.
Ik wil niet fatsoenlijk.
Ik was volkomen fatsoenlijk.
Ik wil dat m'n dochter fatsoenlijk opgroeit.
Je bent niet fatsoenlijk gekleed.