Voorbeelden van het gebruik van Opzadelen in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Kom op, opzadelen.
Goed jongens, laten we opzadelen.
Pony borstelen, opzadelen en een rondje door het park maken.
Opzadelen, schatje, omdat onze huwelijksreis richting het westen gaat.
Opzadelen we gaan hier weg.
Opzadelen, partner en zet je schrap.
Opzadelen, cowboy.
Opzadelen, mannen!
Opzadelen! Ontwijkende manoeuvres geactiveerd!
Opzadelen, amigo. Goed, dan.
Opzadelen! Ontwijkende manoeuvres geactiveerd.
Opzadelen! Ontwijkende manoeuvres geactiveerd.
Opzadelen, cowboy. Doet Malenkov mee?
Doet Malenkov mee? Opzadelen, cowboy.
Goed, Mitch. Opzadelen!
Goed, Mitch. Opzadelen!
Nee, nee, nee. Opzadelen, Butch.
Begrijp je? Opzadelen, jongens?
Begrijp je? Opzadelen, jongens.
Nee, nee, nee. Opzadelen, Butch.