Voorbeelden van het gebruik van Afrekening in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Ecclesiastic
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Volgens die mythologie is er op de laatste dag een afrekening.
Misschien was het een politieke afrekening. Misschien.
Jij wilt een afrekening.
Het uur van de afrekening is nabij.
Deze mogelijkheid staat vermeld op de aan de huurders betekende afrekening.
Het is een persoonlijke afrekening.
Op ons moment van de afrekening aanbidt iedereen iets.
de laatste dag van afrekening begint.
Ik dacht dat het om een afrekening ging.
De dag van de afrekening komt eraan.
Het opstellen van loonlijsten; afrekening bij ontslag.
Het systeem van de maandelijkse voorschotten op afrekening.
Waarschijnlijk was die ook al dood, een afrekening in het milieu.
Ik ben de voorspelde afrekening.
God geeft levensonderhoud aan wie Hij wil, zonder afrekening.
U geeft levensonderhoud aan wie U wilt, zonder afrekening.
God geeft levensonderhoud aan wie Hij wil, zonder afrekening.
Is dit een soort afrekening?
Dit was een afrekening.
Het was geen afrekening.