Voorbeelden van het gebruik van Een telefoon in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Heb je een telefoon?
We moeten een telefoon vinden.
Ik ga een telefoon van ons gebruiken.
Het is als een telefoon die rinkelt en rinkelt
Een opgeladen telefoon in een plastic zak(om waterschade te voorkomen).
Hoe herken je een verdachte telefoon?
Hebt u een draadloze telefoon?
Kan ik een mobiele telefoon gebruiken?
Wil je een telefoon, betaal je smeergeld.
Heb je een telefoon?
Iemand heeft een telefoon binnengesmokkeld.
Heb je een telefoon?
Vandaag vond ik een telefoon tussen Alexanders kleren.
Hebt u een telefoon?
Ik weet dat je een telefoon vrij hebt gekocht via een sms.
Bakshi had een tweede telefoon.
Hoe wilt hij daar een telefoon in handen krijgen?
Als haar moeder haar een telefoon heeft gegeven voor spoedgevallen of zo.
Met een telefoon van een bewaker.
Een telefoon, een horloge, een pakje sigaretten.