Voorbeelden van het gebruik van Kleinzoon in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
En kleinzoon ook nog.
Zijn kleinzoon Jan Remmertsz.
Hij is de kleinzoon van Hubert Rubens.
Hij is de kleinzoon van rugby-speler Ron Ryder.
Opa en kleinzoon op Bank thuis.
Terwijl hij langs moeders kant kleinzoon is van de 1° Nat.
Hij is dus'kleinzoon' van 3 verschillende 1° Nationaal winaars!
Langs vaderszijde is hij kleinzoon van zowel de 1° Nat.
Flavio Chigi was de kleinzoon van Papa Alessandro VII.
Mijn kleinzoon woont bij zijn moeder in Orlando.
Heeft die gestoorde kleinzoon je verteld wat z'n cadeau was?
Je bent z'n kleinzoon.
Hij is je kleinzoon niet.
Meer bepaald zijn kleinzoon.
En aan Luca Moro, kleinzoon van Aldo.
Mama, dat is je kleinzoon.
vertelde Tom haar dat hij Clara's kleinzoon was.
Een kleinzoon.
Trouwens, Kid… Je hebt een kleinzoon.
Marilyn, Joe, Carol, en de kleinzoon.