Voorbeelden van het gebruik van Zijn adres in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Heeft u z'n adres?
Z'n adres en telefoonnummer.
Hebben we z'n adres?
Heeft u z'n adres?
Heb je z'n adres?
Hebt u z'n adres?
Krijgen we z'n adres?
Hebt u z'n adres?
Zoek snel z'n adres op.
Weet u z'n adres?
Geef me z'n adres.
Ik had een droom en zag z'n adres.
Beter nog, heren. Z'n adres.
maar ik zal z'n adres opvragen.
Avast heeft een removal tool zo goed en het is adres ishier.
Ik geef je z'n adres.
Simon zal je z'n adres mailen dan zien we je morgen.
Het zijn adressen.
Het zijn adressen van juweliers.