Voorbeelden van het gebruik van Goed kind in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Susan is een goed kind.
Ze is een goed kind.
Het is een goed kind.
En ze is een goed kind.
Maar het is een goed kind, Alex.
Ze is een goed kind, maar toen gebeurde er iets.
Wees een goed kind, oké?
En Lisa is mijn enige goed kind.
Een goed gezond kind.
Goed kind, en slim.
Goed kind.
N Goed kind grootbrengen. Geen homo.
Hij is een goed kind, maar je weet hoe die is.
Is alles goed kind?
Het is een goed kind.
Wees een goed kind.
Dat is een goed kind.
Noah is zo'n goed kind.
Dat is een goed kind.
Je bent een goed kind.