Voorbeelden van het gebruik van Treuzelen in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
je blijft staan treuzelen.
Kom Ada, niet treuzelen.
Niet treuzelen.
En niet treuzelen.
Gezien we al wat aan het treuzelen zijn.
Niet treuzelen.
We mogen niet treuzelen.
Hup, niet treuzelen!
We moeten niet treuzelen.
Niet treuzelen.
dus ver niet treuzelen.
Elk moment dat we in Londen treuzelen, riskeren we ons leven.
Wat kan voor u doen treuzelen?
Kom op, niet treuzelen!
Niet treuzelen.
Ga verder, niet treuzelen.
Het is immers zo dat de regeringen treuzelen met ratificaties.
Maar we moeten niet teuten of treuzelen.
Het is niet ongewoon om te zien eekhoorns treuzelen nabijgelegen bomen.
Weet je, in sommige melkwegen noemt men dit"treuzelen".