Voorbeelden van het gebruik van Treuzelen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Jongens, opschieten. Niet treuzelen.
Lopen. Niet treuzelen.
Nee, Sergeant. Niet treuzelen.
En niet treuzelen.
Niemand heeft me ooit beschuldigd van treuzelen.
Als jullie nog lang treuzelen met spreken laten we jullie in de olie bakken».
Niet treuzelen, kind.
En niet treuzelen.- Ja!
Niet treuzelen, Fred.
Daarom mogen we niet treuzelen en moeten we de overeenkomst gewoon tekenen.
Blijf je treuzelen of ga je 't vertellen?
Als we treuzelen, is het te laat.
Wat treuzelen jullie nou?
Niet treuzelen, ik ben zo al te laat.
Deze types treuzelen niet lang.
Niet treuzelen, meester.
Niet treuzelen, Parks. Sneller.
Stop met treuzelen of we zijn niet voor de avond bij 't huisje.
Als je blijft treuzelen, doe je het maar zonder zwabber.
Stop met treuzelen en sta op.