Voorbeelden van het gebruik van Zeiken in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Stop met zeiken en zorg dat je die telefoon kwijtraakt.
Ze is alleen maar gaan zeiken, wat sta je toch te blèren?
dus niet zeiken.
Ja, onze moeders moeten stoppen met zeiken, want die trutten zeiken de hele tijd!
Willen jullie blijven zeiken over religie of willen jullie dit eens komen bekijken?
Die lui zeiken dat er geen kaartjes meer zijn voor 't Thanksgiving-diner.
Misschien is er iets dat ik u moet vragen… voordat de vreemdeling terug komt en mij aan mijn kop gaat zeiken.
laten we hier overheen zeiken en daarna een potje worstelen.".
ik de laatste persoon ben die je af wilt zeiken.
Hé, je zeikt waar ik eet, jij eet niet.
Die yup zeikt je steeds af?
In haar blog zeikt Sarah McGee haar af.
Wie zeikt er?
Je zeikt me af vanwege één fout, maar dit is illegaal.
Die trut zeikt de hele tijd, man!
Hij zeikt jou en je moeder af.
Opie zeikt je af?
Iedereen zeikt en kreunt.
Niemand zeikt je werk af.
Ik hoop dat hij over z'n krulschoen zeikt.