MIRÓ - vertaling in Nederlands

keek
ver
mirar
observar
buscar
mirada
vistazo
revisar
examinar
comprobar
analizar
miró
mirò
zag
ver
observar
mostrar
considerar
verlo
verte
ves
verse
perciben
staarde
mirar
contemplar
mirada
observando
fijamente
stare
aankeek
schieuw
miró
heeft aangekeken
han mirado
blik
mirada
vistazo
lata
aspecto
visión
mirar
hojalata
look
estaño
ojeada
kijkt
ver
mirar
observar
buscar
mirada
vistazo
revisar
examinar
comprobar
analizar
gekeken
ver
mirar
observar
buscar
mirada
vistazo
revisar
examinar
comprobar
analizar
keken
ver
mirar
observar
buscar
mirada
vistazo
revisar
examinar
comprobar
analizar
miró's
mirò

Voorbeelden van het gebruik van Miró in het Spaans en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Es el anochecer del Sea of Japan que miró en Izumo.
Het is de schemering van de Japanse Zee welk het schieuw in Izumo toe.
Y cuando él miró, él dijo que ellos eran.
En toen ze keken; hij zei dat ze waren….
Me miró como si tuviera dos cabezas.
Ze keken naar mij alsof ik twee hoofden had.
Más y más gente en Minneapolis miró esta demostración.
Steeds meer mensen in Minneapolis keken naar deze show.
Miró en la parte de atrás.
Kijk maar, hierachter.
Alex me miró y… me perdonó.
Alex kijk mij aan en hij vergeeft me gewoon.
Sandy, sólo me miró.
Sandy, kijk gewoon naar mij.
Cuando Moisés lo miró.
Kijk naar Mozes.
Slogans fugitivos:“Desde el autobús miró París”.
Vluchtige leuzen: “Vanaf de bus kijk ik naar Parijs”(13).
Luego miró por la ventana a los fans.
Door het raam kijken naar zijn fans.
Miró los pies de la momia.
Kijk naar de voet van de mummie.
Cuando volví debiste ver cómo me miró Britt y Chris.
Je had Britt en Chris moeten zien kijken toen ik dat zei.
Entonces… vino y miró mi cirugía.
Hij is naar mijn operatie komen kijken.
El tipo miró los negativos.
Hij ging naar het negatieve kijken.
Ya vi la manera que miró a tu chica.
Ik zag hem wel naar je meisje kijken.
En el momento en el que Klaus me miró, debí haber huido en la dirección opuesta.
Zodra Klaus me aankeek had ik de benen moeten nemen.
Cuando me miró, le dije.
Toen hij mij aankeek, zei ik.
Así que miró a mi padre que yacía a sus pies y dijo.
Oaarom keek ze m'n vader aan die aan haar voeten lag en zei.
Cuando me miró a mí, todo dentro de mí parecía derretirse.
Toen hij mij aankeek leek het of alles binnenin mij begon te smelten.
Miró su reloj y después al cielo.
Hij kijkt op zijn horloge en dan naar hemel.
Uitslagen: 3416, Tijd: 0.0745

Top woordenboek queries

Spaans - Nederlands