Voorbeelden van het gebruik van Afkoelen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
We moeten hem afkoelen.
De filterkroes met het residu drogen, afkoelen en wegen.
SYDEL is een mand ijs te snel afkoelen in de flessen.
Dat zal haar afkoelen.
We moeten je afkoelen.
Nee, jij moet afkoelen.
Minimum, daarna aan de lucht afkoelen tot omgevingstemperatuur.
Het is dus een kanaal waarmee we kunnen afkoelen.
Laat de motor tijdens de nacht afkoelen.
Ik laat het een beetje afkoelen.
Bijna, het moet nog even afkoelen.
Laat je paard afkoelen.
Laat dat paard afkoelen, Richie.
Dat zal ons afkoelen.
Misschien kunnen we even wachten en hem laten afkoelen.
Laat ze een paar dagen afkoelen.
Dat zal ze afkoelen.
Laat ze afkoelen.
Hij moet even afkoelen.
Na ontgeuring, fiksen en afkoelen komt de olie in de voltooide olietank.