Voorbeelden van het gebruik van Broer in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik en m'n broer.
Hij is mijn broer.
Is hij de zoon van mijn broer of niet?
Trifun was 'n broer voor z'n opa.
Hij groeide op met zijn moeder, broer en zus.
Kom op. Kijk uit, broer.
Zie het als je uit-de-bak-cadeautje van je broer.
Ze was de dochter van m'n broer.
En als je 'n belofte aan je broer breekt?
Hij is net je broer.
Ik neuk ook een dolfijn, broer.
Hij lijkt een beetje op jou, broer.
Hij heeft z'n moeder en broer zien overlijden.
Tedesco begon als kind met motorcrossen samen met zijn broer en vrienden.
Wat je al niet voor een broer doet.
Jouw dochter is 17, vergeet dat niet, broer.
Je bent een broer voor hem.
Een driejarige opende een snoepzakje uit de rugzak van z'n broer.
Hij liet de staatszaken aan zijn oudere broer over.