Voorbeelden van het gebruik van Deur openmaken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Joe! Kan je de deur openmaken? Biff!
Je moet de deur openmaken.
Elke ochtend hoor ik haar haar deur openmaken… dag zeggen tegen haar hond.
U moet de deur openmaken.
Laten we de deur openmaken. Goed.
Naar huis… Deur openmaken, ik moet naar huis.
Ik moet de deur openmaken.
Rory, wil je de deur openmaken?
Meneer, kunt u de deur openmaken?
Kunt u alstublieft de deur openmaken?
Ik moet de deur openmaken.
Kun je de deur openmaken?
Henry, kun je deur openmaken?
Ga de deur openmaken.
Kun je de deur openmaken?
Ik moet de deur openmaken.
Wil je de deur openmaken?
Kun je de deur openmaken?
Wacht, laat mij de deur openmaken.
Je moet de deur openmaken.
