Voorbeelden van het gebruik van Dutje in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik heb een dutje nodig.
Ze gebruiken het papier om gemorste drank op te deppen. Na hun dutje.
Gewoon 'n kort dutje.
Een dutje in het riool?
Ik deed een dutje en had geen wekker gezet.
En jij hebt een dutje nodig.
Geen dutje. Kom hier.
Milhouse, heb jij je dutje gedaan?
Ja, ik kan een dutje doen.
Ja? Heb je ook een dutje gedaan?
Was 't een goed dutje?
Ik doe geen dutje, ik ben door mijn rug gegaan.
Dat was veel beter dan een dutje.
Laten we allemaal een dutje doen.
De kinderen hebben hun dutje nodig.
De portier zullen ze niet op een dutje betrappen.
Hoe was jouw dutje? Ontslagen.
Als ik uitgeput ben, doe ik een dutje.
Hij doet boven een dutje.
Een dutje? Ja, een dutje.