Voorbeelden van het gebruik van Een feest in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Een feest hoor je met veel mensen te vieren.
Hij heeft een feest gehad, Tom.
Een feest helpt niet.
Ik heb een feest voorbereid.
We geven morgen een feest.
En nu wil je naar een feest?
Weet hij hoe je een feest moet geven of niet?
Er is hier een feest en wij hebben veel te vieren.
Ga je naar een feest?
Geen film of een feest waarvoor je iemand wil uitnodigen?
Net zoals we elke zondag een feest hebben.
Niet zomaar een feest.
En ik snap het als jullie een feest zonder mij wilden.
Er was een feest bij Jenna en hij en zijn vrienden deden zo stom.
Harry geeft een last-minute feest. -Wat?
Raar moment voor een feest.
Jullie geven een beter feest dan in Charleston.
Hoe je iemand uitnodigt voor een feest.
Dit was een feest.
Waarom geven ze nu een feest?