Voorbeelden van het gebruik van Gezin in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Ecclesiastic
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
We vinden wel een gezin.
En zal tot zijn gezin met vreugde terugkeeren.
Hij mag z'n gezin niet laten vallen voor 'n grietje.
Hij bedreigde mijn gezin.
We komen allebei uit een gebroken gezin.
Leanne wilde een gezin.
Dit is de waarheid waarvoor professor Kawahara zijn gezin opofferde.
Voor mij en voor het gezin.
Als u dat niet doet, dood ik iemand van 't gezin van de president.
Stal mijn geld en verdreef mijn gezin.- Caleb sloeg me.
Debbie, ik ben bij mijn gezin.
We zoeken een ander gezin.
Vooral als je een gezin wil stichten.
Jullie voegen je bij de escorte van de commandant en z'n gezin.
Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.
Combineren van werk en gezin.
Blijf uit de buurt van m'n gezin.
Ze hadden een gezin.
Nee, hoor. Hij is bij zijn gezin.
Ik heb geen gezin, Sir.